Je MIG MAG lasapparaat instellen
Een goed ingestelde lasmachine begint met de juiste gegevens over het werk. Alleen de plaatdikte invoeren is niet altijd genoeg. Ook draadsoort, draaddiameter, beschermgas, verbindingsvorm en laspositie beïnvloeden het resultaat. Door in een vaste volgorde te werken, vind je sneller bruikbare instellingen en kun je die later beter herhalen.
Controleer de combinatie voordat je begint
Kijk of de draad geschikt is voor het materiaal en of rollen, liner en contacttip bij die draad passen. Controleer vervolgens gas, polariteit en aansluitingen aan de hand van de handleiding en de gegevens van het toevoegmateriaal. Verkeerde onderdelen los je niet op met een andere spanning.
Gebruik bij voorgeschreven productiewerk de bijbehorende WPS. Voor oefenwerk of een eerste proefinstelling bieden fabrikanttabellen een vertrekpunt. Let erop dat zo’n tabel over dezelfde draad en hetzelfde gas gaat. Een tabel voor massieve staaldraad kun je niet zonder meer toepassen op aluminium of gevulde draad.
Begrijp de relatie tussen draad en spanning
Bij een gebruikelijke MIG/MAG-stroombron met constante spanning beïnvloedt de draadaanvoersnelheid de lasstroom. De spanning beïnvloedt onder meer de booglengte en de lasvorm. Die instellingen moeten bij elkaar passen. Daarnaast bepaalt je voortloopsnelheid hoe de warmte en het toevoegmateriaal over de naad worden verdeeld. Miller behandelt deze samenhang in zijn uitleg over MIG-instellingen.
Bij een synergische machine zijn verschillende instellingen gekoppeld via een gekozen programma. Selecteer daarom eerst de juiste combinatie van proces, draad en gas. Een correctie binnen het verkeerde programma maakt de uitgangssituatie niet betrouwbaar.
Maak een proef die op het echte werk lijkt
Gebruik hetzelfde materiaal, dezelfde dikte en een vergelijkbare verbinding. Een lasrups op een dikke vlakke plaat zegt weinig over een hoekverbinding in dun plaatwerk. Zorg ook dat je houding en toortsbereik overeenkomen met de situatie tijdens productie.
Noteer je begininstelling. Pas vervolgens één instelling tegelijk aan en maak een nieuwe proef. Houd de toortsafstand en voortloopsnelheid zo gelijkmatig mogelijk. Zo kun je beter beoordelen of het verschil uit de machine-instelling of uit je uitvoering komt.
Let op booggedrag, lasvorm en aansluiting op de naadflanken. Heftig spatten, een onrustige boog of doorbranden zijn redenen om verder te onderzoeken. Het geluid alleen is geen kwaliteitscontrole. Evenmin bewijst een nette lasrups dat de verbinding voldoende is versmolten; daarvoor moet de beoordeling passen bij de toepassing.
Leg een bruikbare instelling volledig vast
Bewaar bij de instellingen ook het draadtype, gas, materiaal en de gebruikte verbinding. Zet er zo nodig een foto van het proefstuk bij. Een losse notitie met alleen twee getallen is bij een volgende klus vaak onvoldoende.
Wil je de instellingen beter leren begrijpen of blijven de resultaten wisselen? 123Lassen ondersteunt je met advies over apparatuur en praktijkgerichte training. Neem een representatief werkstuk mee als uitgangspunt voor het gesprek.