Een lasserskwalificatie lezen: wat betekenen al die letters en cijfers?
Een lasserskwalificatie bevat veel informatie in weinig woorden. Codes zoals 135, P, FW, FM1 en ml vertellen hoe een lasproef is uitgevoerd. Voor wie de afkortingen kent, ontstaat een duidelijk beeld van het lasproces, het gebruikte toevoegmateriaal en de omstandigheden waaronder de lasser zijn vakbekwaamheid heeft aangetoond.
De NEN-EN-ISO 9606-1:2017 beschrijft de kwalificatiebeproeving van lassers voor het smeltlassen van staalsoorten. Daarbij staat de vaardigheid van de lasser centraal: kan deze met het betreffende proces een las van aanvaardbare kwaliteit maken? De norm heeft betrekking op handmatig en gedeeltelijk gemechaniseerd lassen. Bron: NEN
Van code naar begrijpelijke informatie
Een voorbeeld van een kwalificatieaanduiding is:
ISO 9606-1 – 135 – P – FW – FM1 – S – t10 – PB – ml
Deze reeks lijkt ingewikkeld, maar ieder onderdeel heeft een eigen betekenis:
| Onderdeel | Betekenis |
|---|---|
| ISO 9606-1 | De norm voor de lasserskwalificatie voor staalsoorten |
| 135 | MAG-lassen met massieve draad |
| P | De proef is uitgevoerd op plaat |
| FW | Het gaat om een hoeklas |
| FM1 | Toevoegmateriaal voor ongelegeerde en fijnkorrelige staalsoorten |
| S | Massieve draad of staaf; bij proces 135 gaat het om draad |
| t10 | Het proefstuk heeft een materiaaldikte van 10 mm |
| PB | De horizontaal-verticale laspositie voor een hoeklas |
| ml | De las is in meerdere lagen uitgevoerd |
In gewone taal: de lasser heeft een hoeklas op plaat van 10 mm dik gemaakt, met het MAG-proces en een massieve draad uit toevoegmateriaalgroep FM1. De las is horizontaal-verticaal en in meerdere lagen uitgevoerd.
Plaat, pijp, stompe las of hoeklas
De letters P en T geven aan of de lasproef op plaat of pijp is uitgevoerd. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen BW, een stompe las, en FW, een hoeklas.
Deze kenmerken zijn relevant omdat iedere uitvoering andere vaardigheden vraagt. Bij een stompe las speelt bijvoorbeeld de uitvoering van de grondlaag een belangrijke rol. Bij een hoeklas vragen de aansluiting op beide materiaalvlakken en de juiste lasafmetingen aandacht.
De aanduiding beschrijft de uitgevoerde proef. Het bijbehorende kwalificatiebereik bepaalt voor welke werkzaamheden die proef de lasser kwalificeert.
Materiaaldikte en lasafmetingen: kleine letters, groot verschil
Bij het lezen van lasgegevens is het belangrijk om de verschillende maatbegrippen uit elkaar te houden:
| Symbool | Betekenis |
|---|---|
| t | Materiaaldikte van het proefstuk, zoals plaatdikte of pijpwanddikte |
| D | Uitwendige pijpdiameter |
| s | Neergesmolten lasmetaaldikte bij een stompe verbinding |
| a | Ontwerpkeelhoogte van een hoeklas |
| z | Beenlengte van een hoeklas |
Vooral a en z worden nog weleens door elkaar gehaald. Beide beschrijven de afmetingen van een hoeklas, maar meten iets anders. De beenlengte ligt langs het materiaaloppervlak; de keelhoogte beschrijft de maat door de doorsnede van de las. Dezelfde getalswaarde levert daardoor een andere lasafmeting op.
Worden bij één proefstuk verschillende lasprocessen gecombineerd, dan kunnen s₁ en s₂ aangeven hoeveel lasmetaaldikte met ieder proces is neergesmolten.
Wat vertellen de FM-groepen?
De letters FM verwijzen naar de groep van het toevoegmateriaal. Het overzicht op een kwalificatie helpt om te herkennen met welk type toevoegmateriaal de proef is uitgevoerd.
| Groep | Toevoegmateriaal voor het lassen van |
|---|---|
| FM1 | Ongelegeerde en fijnkorrelige staalsoorten |
| FM2 | Hogesterktestaalsoorten |
| FM3 | Kruipbestendige staalsoorten met minder dan 3,75% chroom |
| FM4 | Kruipbestendige staalsoorten met 3,75 tot en met 12% chroom |
| FM5 | Corrosie- en hittevaste staalsoorten |
| FM6 | Nikkel en nikkellegeringen |
Een FM-aanduiding is dus een toevoegmateriaalgroep. Voor het vaststellen van de inzetbaarheid van een lasser moet deze altijd samen met de overige kwalificatiegegevens worden beoordeeld.
Ook de uitvoering van de las telt mee
Naast het proces en het materiaal beschrijven aanvullende codes hoe de verbinding is gelast.
Zo betekent ss eenzijdig lassen en bs tweezijdig lassen. mb staat voor lassen met smeltbadondersteuning; nb voor lassen zonder smeltbadondersteuning. Bij gb wordt backinggas toegepast: gas dat de achterzijde van de las beschermt.
Ook het aantal lagen wordt vastgelegd. sl betekent één laag en ml meerdere lagen. Dat onderscheid zegt iets over de uitvoering van de proef en is daarom relevant bij het beoordelen van het kwalificatiebereik.
Lees verder dan de aanduiding
Een kwalificatiecode is een compacte beschrijving van de lasproef. Om te bepalen of een lasser een specifieke productieverbinding mag uitvoeren, moet ook het kwalificatiebereik op het certificaat worden gecontroleerd, samen met de geldigheid en de eisen voor het werk.
Zo betekent t10 dat de proef op materiaal van 10 mm dik is uitgevoerd. Welke andere dikten daarmee worden afgedekt, volgt uit de toepasselijke regels en de overige proefgegevens.
Wie de codes begrijpt, kan een lasserskwalificatie gerichter beoordelen. Dat helpt bij de werkvoorbereiding, voorkomt misverstanden op de werkvloer en maakt het eenvoudiger om de juiste lasser voor het juiste laswerk in te zetten.
Afkortingen en symbolen bij lasserskwalificaties
Op een lasserskwalificatie staan afkortingen voor het proefstuk, het toevoegmateriaal en de uitvoering van de las. Hieronder vind je de betekenis, verdeeld over drie overzichtelijke tabellen.
Proefstukken en lasafmetingen
| Afkorting of symbool | Betekenis |
|---|---|
| a | Ontwerpkeelhoogte van een hoeklas |
| BW | Stompe las (butt weld) |
| D | Uitwendige pijpdiameter |
| FW | Hoeklas (fillet weld) |
| l₁ | Lengte van het proefstuk |
| l₂ | Halve breedte van het proefstuk |
| l_f | Lengte waarover de las wordt gekeurd |
| P | Plaat |
| s | Neergesmolten lasmetaaldikte bij een stompe verbinding |
| s₁ | Neergesmolten lasmetaaldikte met lasproces 1 |
| s₂ | Neergesmolten lasmetaaldikte met lasproces 2 |
| t | Materiaaldikte van het proefstuk: plaatdikte of wanddikte |
| T | Pijp |
| z | Beenlengte van een hoeklas |
Uitvoering en lasdetails
| Afkorting | Betekenis |
|---|---|
| fb | Poedervormige smeltbadondersteuning |
| bs | Tweezijdig lassen |
| ci | Meesmeltend inzetstuk |
| lw | Naar links lassen |
| mb | Lassen met smeltbadondersteuning |
| gb | Backinggas: gasbescherming aan de achterzijde van de las |
| ml | Meerdere lagen |
| nb | Lassen zonder smeltbadondersteuning |
| rw | Naar rechts lassen |
| sl | Enkele laag |
| ss | Eenzijdig lassen |
Toevoegmateriaal, bekleding en draadtype
De betekenis van een letter hangt mede af van het type toevoegmateriaal. Zo kan een code betrekking hebben op de bekleding van een elektrode of op de kern van een gevulde draad.
| Afkorting | Betekenis |
|---|---|
| nm | Lassen zonder toevoegmateriaal |
| A | Zure bekleding |
| B | Basische bekleding of basische kern |
| C | Cellulosebekleding |
| R | Rutielbekleding of rutielkern met traag stollende slak |
| RA | Rutiel-zure bekleding |
| RB | Rutiel-basische bekleding |
| RC | Rutiel-cellulosebekleding |
| RR | Dikke rutielbekleding |
| M | Metaalpoederkern |
| P | Rutielkern met snel stollende slak |
| S | Massieve draad of staaf |
| V | Rutiel- of basisch/fluoridehoudende kern |
| W | Basisch/fluoridehoudende kern met traag stollende slak |
| Y | Basisch/fluoridehoudende kern met snel stollende slak |
| Z | Andere typen kern |
Let op de plaats van de code
Eenzelfde letter kan verschillende betekenissen hebben. Bij de productvorm betekent P bijvoorbeeld plaat, terwijl P bij het toevoegmateriaal een bepaald type rutielkern aanduidt. Ook hoofdletters en kleine letters zijn belangrijk: T staat voor pijp, terwijl t de materiaaldikte aangeeft.
Lees een afkorting daarom altijd in samenhang met de volledige kwalificatieaanduiding.